Over speelpleinwerk


Speelpleinwerk is een unieke jeugdwerkvorm

Geen jeugdwerkvorm in Vlaanderen en Brussel is zo verspreid en zo divers als speelpleinwerk.
563 speelpleinwerkingen hebben elk hun eigen organisatiecultuur.

  • verschil in organisator (gemeentelijk, particulier, buitenschoolse opvang…);
  • verschil in statuut van de animator (jobstudent, vrijwilliger of beide);
  • verschil in speelsysteem (gesloten, open, mengvorm);
  • verschil in deelnemers (kleuters, tieners, lagere school, kinderen met beperking…)

Die diversiteit is een troef, een deel van onze identiteit. Naast de verschillen zijn er gemeenschappelijke kenmerken die ons binden en ervoor zorgen dat een organisatie de term ‘speelpleinwerking’ aangemeten krijgt. Vijf kenmerken vormen sinds september 2015 onze basisdefinitie van speelpleinwerk. Door te focussen op deze kenmerken kunnen de VDS en speelpleinorganisatoren het speelpleinwerk verder profileren als een straffe jeugdwerkmethodiek met een sterke eigenheid en duidelijke doelen. Het beantwoordt de vraag: “wat is speelpleinwerk (en wat niet)?”

 

Een definitie speelpleinwerk als ondergens

Speelpleinwerk situeert zich binnen het kader van het jeugdwerk.
Een speelpleinwerking heeft alle volgende kenmerken: 

Spelen als hoofddoel

Speelplein valt in de vakantieperiode, is vrije tijd voor kinderen. In hun vrije tijd gaan kinderen spelen, dus spelen is het hoofddoel van een speelpleinwerking.

De basisfunctie van een speelpleinwerking is (zoals de naam al doet vermoeden) spelen. Er hoeft op het speelplein niet gespeeld te worden om er iets bij op te steken of om bepaalde inzichten te verwerven. In essentie gaat het om het spelen zonder meer, het ‘spelen om te spelen’. Op het speelplein is spelen geen middel om een extern doel te bereiken, maar een doel op zich. Het gaat om eigen ‘vrije tijd’ van kinderen die ze zelf en ‘zonder agenda’ vorm kunnen geven. 

Een speelpleinwerking brengt deze speelfunctie in de praktijk door dagelijks werk te maken van optimale speelkansen voor alle kinderen. Een speelpleinwerking creëert daarvoor een prikkelende omgeving die kinderen uitnodigt om te spelen. Een omgeving waar de aanleidingen om te spelen komen van de interactie tussen de kinderen zelf, de begeleiders, het speelmateriaal en de speelinfrastructuur (zowel binnen als buiten). Een speelpleinwerking probeert (binnen haar mogelijkheden) deze vier elementen en de interactie ertussen verder uit te bouwen, met als doel een werking uit te bouwen met een avontuurlijk en geborgen karakter, gericht op speelplezier en optimale belevingskansen.

Het is eigen aan speelpleinwerk om ruimte te geven aan de kinderen zelf.  Het speelpleinwerk ziet kinderen als volwaardige ‘actoren’ in het tot stand komen van een speelpleinwerking. Kinderen geven enerzijds mee vorm aan wat, met wie en wanneer er gespeeld wordt. Anderzijds zoeken speelpleinwerkingen actief naar manieren om kinderen mee te laten participeren in de besluitvorming, het tot stand komen van vernieuwing, verandering en verbetering van de speelpleinwerking.

Naast deze speelfuncties is een speelpleinwerking ook niet blind voor andere functies. In de praktijk heeft een speelpleinwerking naast de speelfunctie ook aandacht voor haar rol in opvang, preventie, integratie, buurtopbouw…  Maar in de eerste plaats (en te allen tijde) blijft ‘spelen’ overeind als belangrijkste functie.

Kinderen als doelgroep: kleuters, lagere schoolkinderen en/of tieners

Vanaf de kleuterleeftijd zijn kinderen zelfstandiger en is er minder zorgfunctie nodig. De maximumgrens voor deelnemers is 15 jaar, daarna worden jongeren animator. Uitzonderlijk kunnen kinderen met een beperking wel nog langer als deelnemer komen.

Het speelpleinwerk is door haar specifieke eigenheid uitermate afgestemd op kinderen. Zelfs de naam ‘speelpleinwerk’ suggereert dat kinderen de primaire doelgroep van het speelpleinwerk zijn. Het speelpleinwerk biedt vooral speelkansen aan kleuters, kinderen van de lagereschoolleeftijd en tieners.

Het speelpleinwerk blijft één van de weinige jeugdwerkvormen die zich openstelt voor kleuters (kinderen tussen 3 en 6 jaar). Kleuters vormen zelfs een aanzienlijk deel van de speelpleinpopulatie. Gemiddeld zijn er op een speelpleinwerking zo’n 33% (of 1/3) kinderen tussen 3 en 6 jaar. Een kleine minderheid van de speelpleinwerkingen zet haar deuren ook open voor kinderen vanaf 2,5 jaar, zij maken maar 3% uit van de kinderen.  

De groep lagereschoolkinderen (kinderen tussen 6 en 12 jaar) vormt de grootste doelgroep van het speelpleinwerk. Gemiddeld 55% van het doelpubliek van het speelpleinwerk bevindt zich in deze leeftijdscategorie. 

Daarnaast slagen heel wat speelpleinwerkingen er in om ook een boeiende werking op te zetten voor tieners (kinderen tussen 12 en 15 jaar). Gemiddeld 8% van het doelpubliek van het speelpleinwerk zijn tieners, veelal met een eigen specifieke werking (begeleiders, aanbod, lokaal…), aansluitend op hun leefwereld. 

Het speelpleinwerk neemt ‘kinderen als doelgroep’ ook heel letterlijk en maakt in vele gevallen geen onderscheid naar afkomst, religie, achtergrond… Kinderen van allochtone afkomst, kinderen met een beperking, kinderen uit kansarm milieu behoren ook tot het doelpubliek van het speelpleinwerk. In 2010 gaven bijna 80% van de speelpleinen aan dat bijzondere doelgroepen welkom zijn of dat de hele werking zich actief aanpast aan bijzondere doelgroepen.

Jongeren voeren het speelaanbod uit en worden betrokken bij de werking

Speelpleinwerk is jeugdwerk, het merendeel van de begeleidersploeg zijn jongeren. Die jongeren bereiden het speelaanbod voor en mogen hun mening geven over de werking.

Speelpleinwerk is een socio-cultureel initiatief voor kinderen en door jongeren, met als doel: kinderen een speelse vakantie bezorgen. Speelpleinwerk heeft haar actieperiode in de vakantieperiodes, de vrije tijd van kinderen en jongeren. Het spelen van kinderen wordt op het speelplein begeleid door gevormde jongeren of speelpleinbegeleiders met de nadruk op engagement en betrokkenheid. 

Speelpleinwerk wordt georganiseerd door particuliere initiatieven of lokale openbare besturen en wordt in vele gevallen professioneel gerund en ondersteund. Ondanks deze (toenemende) professionaliteit blijft speelpleinwerk ook daadwerkelijk jeugdwerk. 

Een sterke speelpleinwerking staat of valt met een sterke ploeg speelpleinbegeleiders. De kwaliteit van de speelpleinwerking is rechtstreeks afhankelijk van het enthousiasme en de dynamiek waarmee de speelpleinbegeleiders met kinderen spelen. Hun taak bestaat erin om dagdagelijks te zoeken naar een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van activiteiten. Ze worden door hun enthousiasme de deskundigen in het uitlokken, ondersteunen, stimuleren en waardevoller maken van kinderspel. 

Om haar speelfunctie optimaal te kunnen realiseren ziet een speelpleinwerking de uitbouw van haar begeleidersploeg als doel op zich. Een speelpleinwerking investeert daarom veel tijd en energie in het stimuleren van de betrokkenheid, de verbondenheid en de participatie van haar begeleidersploeg. Ze creëert vanuit een ‘jeugdwerkfilosofie’ een omgeving waarbinnen jongeren kunnen groeien in de ploeg en in hun vaardigheden, kansen krijgen om zichzelf te ontdekken en volwaardig participeren in de uitbouw van de werking.

Deelnemers kiezen zelf hoe vaak ze deelnemen

Speelpleinwerk vereist geen langdurig en vastgelegd engagement van de deelnemers (bv. geen engagement voor een jaar, elke weekend…)

Speelpleinwerk kenmerkt zich door de hoge graad van openheid en streeft een zo laag mogelijke drempel na. Een speelpleinwerking is principieel een initiatief waar elk kind terecht kan, los van elke filosofische of ideologische strekking, verstandelijke mogelijkheden of beperkingen. Deze openheid vertaalt zich in de praktijk in een openheid naar deelname, gebruiksfrequentie, lage kostprijs en toegankelijkheid voor alle kinderen.

Het speelpleinwerk voorziet geen lidmaatschap maar profileert zich als ‘dienst aan de samenleving’ waar je gebruik van kunt maken. Er wordt niet verondersteld dat kinderen elke dag aanwezig zijn. Wie voor één dag komt, is even welkom als wie elke dag op het speelplein vertoeft. Speelpleinwerk streeft een optimale openheid na door haar aanbod af te stemmen op deze behoefte.

Speelpleinwerk stelt zich tot doel, het ‘recht op spelen’ waar te maken. Er wordt bewust voor gekozen om de kostprijs voor alle kinderen zo laag mogelijk te houden. Speelpleinwerk is echter op weinig plaatsen nog volledig gratis. Speelpleinwerkingen die een democratische bijdrage vragen (de meerderheid) doen dit weloverwogen en om pragmatische redenen. 

Het speelpleinwerk staat erom bekend een breed publiek te hebben. Speelpleinwerkingen krijgen echt alle ‘soorten’ kinderen over de vloer. Zo spelen kinderen van verschillende leeftijden, uit middenklasse of kansarm milieu, kinderen van allochtone afkomst, kinderen met een beperking, kinderen uit het bijzonder onderwijs of de bijzondere jeugdbijstand, allemaal samen op het speelplein. Het speelplein maakt principieel geen onderscheid ongeacht de verstandelijke mogelijkheden, achtergrond, sociale status.

Afhankelijk van de plaatselijke accenten investeren speelpleinwerkingen extra in specifieke toegankelijkheid voor:

  • kinderen en jongeren met een mentale en/of een fysieke beperking
  • maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren
  • kinderen en jongeren van allochtone afkomst
  • kinderen die vaak in een conflictsituatie terecht komen
Is actief in de vakantie(s), in regel zonder overnachting voor de deelnemers

Speelpleinwerk is niet beperkt tot het schooljaar, maar vindt in minstens één schoolvakantie per jaar plaats. Overnachtingen zijn uitzonderlijke events en geen regelmatige standaardactiviteit. 

Een speelpleinwerking is een vakantie-initiatief en heeft haar openingsperiode in de vakantie. Het speelpleinhoogseizoen ligt traditioneel in de zomervakantie en in mindere mate (40% van de speelpleinwerkingen) in de paasvakantie. Een kleine minderheid van het speelpleinwerk opent ook haar deuren in één of meerdere kleine vakanties zoals de krokus-, herfst- en/of kerstvakantie.  

In de vakantie is de behoefte van kinderen om te spelen het grootst. Kinderen beschikken over meer vrije tijd, dwingende schoolverplichtingen zijn er niet, ze willen leuke dingen doen of samen met vriendjes spelen. Het speelpleinwerk opent haar deuren precies in die periode(s). 

Vakantie heeft een wel zeer aangename bijklank voor het speelpleinwerk. Vakantie roept bij kinderen en volwassenen  een gevoel op van vrije tijd, doen waar je zin in hebt, reizen, tijd investeren in iets wat je zelf kiest, dromen, lekker niks doen, buiten spelen… Allemaal beelden die de waarde van het speelpleinwerk voor kinderen in de verf zetten. 


Door deze grenzen af te bakenen, zorgen we als koepelorganisatie voor een focus: het bepaalt voor wie we er zijn en wat we doen.  Het geeft richting aan de toekomst en het aanbod van de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk. 

 

Onze visie is het streefdoel!

De definitie vat de basis samen van speelpleinwerk. Werkingen die niet aan de definitie voldoen, zijn in de ogen van de VDS geen speelpleinwerkingen. De VDS streeft naar meer dan de basis. We zijn voortdurend op zoek naar manieren om meer en betere speelkansen in de vrije tijd van elk kind te realiseren. Onze visie is datgene waar naartoe de VDS het speelpleinwerk wil bewegen.


Als ouder of gemeentebestuur kiezen voor speelpleinwerk, wil ook zeggen dat je achter de filosofie van speelpleinwerk staat

wat speelpleinwerk niet is...

Speelpleinwerk wordt al eens over dezelfde kam geschoren, maar verschilt wel degelijk van andere initiatieven.

Speelpleinwerk is anders dan kinderopvang
  • Kinderopvang vervult in de eerste plaats een opvang– en zorgfunctie, terwijl die voor speelpleinwerk geen doel op zich is, speelpleinwerk gaat voor spelen om te spelen.
  • Kinderopvang werkt met opgeleide beroepskrachten en niet met jongeren die mee beleid maken en inspraak hebben.
  • Een kinderopvang is begrensd ("je moet een plaats hebben") terwijl het speelpleinwerk ernaar streeft om meer open te zijn.
  • Kinderopvang is een welzijnsinitiatief en speelpleinwerk is jeugdwerk.
  • Kinderopvang is sterk gereglementeerd vanuit een beleidskader terwijl het gezond (speel)verstand vanuit het jeugdwerkprincipe maatstaf is op een speelpleinwerking. Voor een speelpleinwerking bestaan geen normerende vereisten, enkel de gebruikelijke organisatorische regelgeving (rond vrijwilligerswerk, vzw’s, sabam..)
  • Kinderopvang focust meer op speelkansen vanuit binneninfrastructuur en materiaal, terwijl een speelpleinwerking meer focust op buitenruimte en impulsen vanuit begeleiders.
Speelpleinwerk past niet in het rijtje van de klassieke jeugdbeweging
  • Een jeugdbeweging heeft een vaste groep, het hele jaar door. Op een speelpleinwerking zijn er elke dag andere kinderen.
  • Een jeugdbeweging werkt met lidgeld, op een speelplein kan je kiezen wanneer je komt en ook enkel voor die dag betalen.
  • Op de jeugdbeweging wordt je geacht een uniform aan te trekken. Voor speelpleinwerk is dat niet van toepassing.
  • Het hoofddoel van een jeugdbeweging is het groepsgevoel en het engagement dat daarbij hoort. Op een speelplein komen kinderen vrijblijvend, gewoon spelen is het doel. Bijgevolg is voor een speelpleinwerking investeren in speelmateriaal en terrein van groot belang.
  • Speelpleinwerk richt zich op vakantieperiodes, terwijl het klassieke jeugdwerk focust op alle weekends van het jaar buiten de vakanties en een zomerkamp. Vakantie? Op het speelplein! Speelpleinwerk trekt daardoor kinderen en begeleiding aan uit het klassieke jeugdwerk, maar ook een grote groep andere kinderen en jongeren.
  • Jeugdbewegingen hebben een vaste groep begeleiding. Speelpeinwerk heeft vaak een even grote kerngroep maar heeft daarnaast een veelvoud aan animatoren nodig om in de zomer actief te zijn.
Speelpleinwerk is geen (sport)kamp
  • Voor een kamp is vooraf inschrijven nodig, om zo de organisatie te kunnen doen, op een speelpleinwerking kan je op het moment zelf terecht.
  • Op een kamp komen kinderen vaak om iets te leren, om beter te worden in een talent (creatief zijn, sport, toneel..). Op een speelpleinwerking is spelen het doel op zich.
  • Het aanbod op kamp is eenzijdig, themagericht en werkt specialiserend. Op een speelpleinwerking komt een variatie van speelkansen aan bod.
  • De prijzen van kampen zijn vaak hoog en vormen daardoor een drempel. Een speelpleinwerking is laagdrempelig.

Cijfers over speelpleinwerk

Er zijn 417 speelpleinorganisatoren. Samen organiseren ze 563 speelpleinwerkingen verspreid over 300 gemeenten in Vlaanderen en Brussel. Slechts 21 gemeenten hebben er geen. Op een gemiddelde vakantiedag in de zomer spelen dagelijks 44.000 kinderen op een speelpleinwerking. Samen bereiken ze op die manier 185.000 verschillende kinderen en 23.000 begeleiders, die we animatoren noemen.

Statuut van de organisator

 

Gemeentelijk

Particulier

2010

62,8%

37,2%

2015

69,8%

30,2%

Aantal kinderen

Totaal aantal kinderen per dag

 

Totaal aantal verschillende kinderen

1990

61500

 

1990

175000

1995

57000

 

1995

180000

2000

48000

 

2000

160000

2005

37000

 

2005

140000

2010

43000

 

2010

147000

2015

44167

 

2015

184384

Evolutie leeftijdscategorieën

 

< 3 JAAR

3-6 JAAR

7-12 JAAR

>12 JAAR

2000

1,9 %

32 %

56 %

10 %

2005

2,1 %

33 %

55 %

10 %

2010

3,1 %

33 %

55 %

9 %

2015

3,2 %

33 %

55,6 %

8,2 %

Toegankelijkheid: niemand in het jeugdwerk doet beter!

Inschatting van % kinderen uit een bijzondere doelgroep:

 

Kinderen met een beperking

Meertalige kinderen

Kinderen uit een kansarm milieu

Kinderen via het OCMW ingeschreven

Kinderen uit de Bijzondere Jeugdzorg

2010

2,4 %

13,6 % *

7,9 %

3,0 %

1,0 %

2015

6,3 %

18,2 %

18,6 %

7,9 %

4,0 %


Bron '5-jaarlijkse speelpleinenquête' (2015) door VDS

____________________________________________________________________________________ 

Een vergelijking van de diversiteit in de verschillende jeugdwerkonderzoeken (gemiddelden)

Van alle jeugdwerkvormen slaagt speelpleinwerk er het best in de diversiteit van de samenleving te weerspiegelen: van kleuters tot tieners, van kinderen met een handicap tot kinderen in kansarmoede. Van alle jeugdwerkvormen hebben speelpleinen het grootste bereik naar kinderen met een fysieke of mentale beperking.

 

Speelpleinwerk

Jeugdhuizen

WMKJ’s

Jeugdbeweging

% allochtone kinderen

17 %

9,6 %

61,6 %

2,1 %

% kinderen in armoede

14,8 %

8,9 %

59,6 %

3,6 %

% kinderen met een beperking

6,7 %

3,3 %

2,9 %

2,1 %

% kinderen uit de bijzondere jeugdzorg

4,4 %

- %

10,2 %

- %

% meisjes

49,8 %

31,8 %

28,4 %

- %


Bron 'Het Grote Speelpleinonderzoek' (2014) door Kind & Samenleving

Aantal organisatoren en werkingen per provincie

 

2010

2015

Regio

organisatoren

werkingen

organisatoren

werkingen

West-Vlaanderen

92

142

92

139

Oost-Vlaanderen

89

134

95

140

Antwerpen

73

101

72

91

Vlaams-Brabant

69

87

68

86

Brussel

18

28

26

35

Limburg

65

78

63

66

 

Totaal

 

406

 

570

 

416

 

557

Speelsysteem: meer keuze, minder verplicht meedoen

Het speelsysteem vertelt op welke manier de combinatie van activiteiten vanuit animatoren, materiaal, terrein, fantasie én de inbreng van kinderen gemaakt wordt. Het speelsysteem bepaalt hoe er gespeeld wordt, hoe de tijd ingedeeld wordt en welke mogelijkheden er al dan niet zijn voor kinderen om op de speelkansen in te gaan.

Zoveel speelpleinwerkingen, zoveel speelsystemen.

Niets is zo moeilijk als speelpleinwerkingen de juiste vragen stellen over hun speelsysteem. Met deze vragen en categorieën doen we een poging om hier structuur in te brengen. De vraag is opgesplitst in voor- en namiddag, omdat we in de praktijk merken dat speelpleinwerkingen doorheen de dag hun speelsysteem variëren.

We onderscheiden 5 mogelijkheden:

  1. Strikt geleid aanbod: Het speelplein voorziet leeftijdsgroepen. Kinderen spelen enkel binnen hun leeftijdsgroep. Ze hebben vaste begeleiders die de activiteiten voorbereiden en aanbieden. 
  2. Leeftijdsgroepen met keuze: Het speelplein voorziet leeftijdsgroepen. Kinderen gaan in principe bij hun leeftijdsgroep spelen. Ze zijn niet verplicht om deel te nemen aan de voorbereide activiteiten.
  3. Begeleider als toezichthouder (vrije spel): Kinderen spelen vrij en maken daarbij gebruik van het terrein- en materiaalaanbod. De begeleider heeft vooral een toezichthoudende rol.
  4. Keuzeactiviteiten (die je moet blijven volgen): Kinderen maken een vrije keuze uit een voorbereid speelaanbod van de begeleiders. Naast deze activiteiten is er geen ander aanbod.
  5. Open speelaanbod: Kinderen maken een vrije keuze uit een voorbereid speelaanbod van de begeleiders. Ze spelen op elk moment vrij en kunnen daarbij gebruik maken van het aanbod aan terrein en materiaal en eventuele impulsanimatoren.

De cijfers in onderstaande tabel geven een licht vertekend beeld. In 2010 moesten de invullers kiezen tussen één van de vijf opties, terwijl het in 2015 mogelijk was om meerdere opties aan te duiden. Toch proberen we enkele conclusies te trekken.

 

Elke voormiddag

2010

Elke namiddag

2010

Eén of meerdere keren per week

Nooit

Strikt geleid aanbod 

35%

42%

38%

23%

21%

36%

Leeftijdsgroepen met keuze

10%

8%

18%

11%

20%

63%

Begeleider als toezichthouder

13%

17%

22%

20%

41%

38%

Keuzeactiviteiten

10%

26%

12%

21%

34%

52%

Open speelaanbod

21%

8%

28%

24%

24%

46%

 

Dit daalt:

  • Minder vast aanbod in de voormiddag.
  • Minder gewoon toezicht houden/enkel keuzeactiviteiten.

Dit stijgt:

  • In leeftijdsgroepen zit er meer keuze (verschil tussen rij 1 en 2).
  • Meer open speelaanbod (vooral in de voormiddag).

Conclusies:

Werkingen evolueren meer naar keuze voor kinderen. Dit zien we enerzijds binnen de leeftijdsgroep: kinderen moeten minder vaak verplicht meedoen. Anderzijds is het ook duidelijk in de cijfers dat er minder keuzeactiviteiten gedaan worden, maar vaker optie is voor kinderen om te kiezen uit zowel activiteiten, als spelen met materiaal en terrein.

‘Begeleider als toezichthouder’ scoort nog altijd hoog (dit had een flinke stijging tussen 2005 en 2010). Het voordeel aan dit systeem is dat kinderen zelf kunnen kiezen, maar de VDS is meer voorstander van een systeem waarin er daadwerkelijk ook een aanbod gedaan wordt vanuit begeleiding.

Daarnaast valt op dat de veranderingen vooral in de voormiddag duidelijk zijn. Dit kan erop wijzen dat werkingen die in het verleden geëxperimenteerd hebben met open speelaanbod in de namiddag, dit doortrekken naar de voormiddag.

Tot slot geeft nog 46% van de werkingen aan dat ze op geen enkel moment aan volledig open speelaanbod (de laatste) rij doen. Dit staaft de conclusie dat we binnen de speelpleinwereld véél meer mengvormen en experimenteren met speelaanbod zien dan werkingen die resoluut voor een open speelaanbod kiezen. 

Uitgebreid cijfermateriaal in de 5-jaarlijkse speelpleinenquête (2015).


Geschiedenis van het speelpleinwerk

Speelpleinwerk is een vrij oude jeugdwerkvorm, ze heeft haar wortels in het begin van de vorige eeuw. Deze beknopte brok geschiedenis schetst de evolutie van het speelpleinwerk in vijf grote stappen. Het is geen volledig overzicht, maar een opsomming van de belangrijkste keerpunten in de geschiedenis van het speelpleinwerk. Het geeft je een goed beeld van de grote tendensen en leert je beter begrijpen hoe het komt dat speelpleinwerk geworden is wat het nu is. 

Het prille begin: een discussie over preventie

De eerste discussies over de noodzaak van speelpleinwerk ontstaan bij het begin van de twintigste eeuw. De leefsituatie van kinderen verandert sterk omstreeks de eeuwwisseling, onder andere door de afschaffing van de kinderarbeid (1889) en de invoering van de leerplicht tot 12 jaar (1914). Kinderen krijgen 'verplichte tijd', die ze doorbrengen in de klas, maar daardoor ook 'vrije tijd'. 

Na de Eerste Wereldoorlog ontstaat ongerustheid over de slechte invloed van ‘de straat’ op kinderen. Enkele initiatieven ontstaan om kinderen tijdens de vakantie samen te brengen in een ‘verantwoorde’ omgeving. De geboorte van het speelpleinwerk is een feit. Naast deze preventieve functie wordt ook een pedagogische invulling gegeven aan deze initiatieven. Door op het speelplein te spelen met andere kinderen ondergaan kinderen goede invloeden. 

Speelpleinwerk tussen 1930 en 1960: spelen in een gezonde omgeving

In 1931 noteren we het ontstaan van de eerste speelpleinwerking in Ukkel. Tussen de twee wereldoorlogen kent het speelpleinwerk een snelle groei. In 1937 zijn er 165 speelpleinen in Vlaanderen. Na een korte terugval tijdens de Tweede Wereldoorlog zit het speelpleinwerk in 1948 alweer ver boven het peil van 1937.  

Naast de preventieve en pedagogische functie krijgt het speelpleinwerk een derde grote functie. Onder impuls en subsidiëring van het NWK (Nationaal Werk voor Kinderwelzijn) neemt het speelpleinwerk de 'zorg om de lichamelijke gezondheid' van de kinderen op zich. In deze sfeer won ook ‘sport’ aan belang op het speelplein. De invloed van beweging op de gezondheid van kinderen wordt erkend, alsook de waarde van groeiend kameraadschap, fair-play en solidariteit door sport wint aan belang. Het is ook de tijd waar, naar Frans voorbeeld, de eerste vormingscursussen voor begeleiders werden opgezet. 

Speelpleinwerk in de 6-ties en 7-ties: wereldwijde aandacht voor spelen

In de jaren zestig doordringt ‘spel en spelen’ het speelpleingebeuren. Vanaf 1968 komt de creativiteit en de vrije expressie van kinderen steeds nadrukkelijker voor in de activiteiten. Uit het buitenland, vooral Denemarken en Engeland, waaien ideeën over zoals avontuurlijk spelen, bouwen, spelen met water, enz.

Geleidelijk groeit de aandacht voor de waarde die kinderen zelf aan spelen toebedelen. Kinderen willen zelf dingen vinden, zelf hun spel bepalen en laten evolueren. Die aandacht sluit aan bij de zijnswijze van kinderen en geeft hen het recht hun vrije tijd zelf in te vullen. Het speelplein gaf met respect voor die eigenheid van kinderen en de groeiende aandacht voor spontaan kinderspel steeds een concrete invulling van de rechten van het kind!

Die benaderingswijze van het spelen op het speelplein leidt in 1984 tot een eigen decreet voor erkenning en subsidiëring van het speelpleinwerk. Het ‘speelse decreet’ (27 november 1984), stimuleert de uitbouw van speelvriendelijke infrastructuur, aantrekkelijk speelmateriaal en een deskundige begeleiding door opgeleide jongeren. Het decreet gaf het speelpleinwerk bestaansreden, rechtszekerheid en zette de speelfunctie centraal.

Was het nu ‘80 of ‘90: belangrijke functieverschuivingen

In de laatste decennia ondergaat het speelpleinwerk belangrijke functieverschuivingen. De zorg om de 'zedelijke en lichamelijke zuiverheid' van het kind evolueerde naar de 'zorg om het pedagogisch verantwoorde spel'. 

Door bijkomende behoeften van ouders in de jaren ‘80 krijgt de invulling van de ‘opvangfunctie’ een ander karakter. Enerzijds kunnen sommige ouders door gebrekkige behuizing, aftakelende sociale netwerken en beperktere financiële middelen niet steeds instaan voor de opvang tijdens de vakantie. Daarnaast zorgen economische factoren zoals buitenshuis werkende ouders, tweeverdieners, rigide arbeidsstructuren voor een groeiende vraag naar opvang. De invloed van deze 'sociaal-economische opvangfunctie' neemt nog steeds toe en zorgt voor een stijgende maatschappelijke druk en aandacht van beleidsvoerders. 

Het speelpleinwerk aarzelt om zich te profileren als een opvanginitiatief. Veel speelpleinen nemen zelfs resoluut afstand van de opvangtaak. De schrik dat de opvangfunctie de speelfunctie verdringt, is reëel. Opvang kan en mag, maar niet ten koste van het spelen. 

Het besef groeit ook dat het speelpleinwerk voor en door de (lokale) gemeenschap moet worden uitgebouwd. Speelpleinwerk wordt steeds meer een verantwoordelijkheid voor de gemeentelijke overheid. Bijna alle nieuwe initiatieven in deze periode zijn gemeentelijke initiatieven.

Het speelpleinwerk krijgt er in deze periode ook een functie bij. Het speelplein biedt een engagementskader voor jongeren, die zich op vrijwillige basis, meestal wel met een beperkte kostenvergoeding, inzetten voor kinderen en jongeren. 

1994: het speelpleinwerk krijgt een plaats in het gemeentelijk jeugd(werk)beleid

Een belangrijke groeistoot in de ontwikkeling van het speelpleinwerk komt er door het 'decreet op het plaatselijk jeugdwerkbeleid' van 9 juni 1993. Dit trad in werking op 1 januari 1994 en stimuleert de Vlaamse gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie rond Brussel tot het voeren van een eigen en plaatselijk jeugdwerkbeleid.  

Tien jaar verder zien we het speelpleinwerk bloeien en verder groeien tot een basisvoorziening in zowat elke Vlaamse gemeente. De lokale overheden zagen het speelpleinwerk steeds als 'hun zaak' en beschouwen het nu ook als 'hun taak'. 

De Vlaamse Dienst Speelpleinwerk definieert het speelpleinwerk in 1995 als volgt: "Een speelpleinwerking is een open vakantie-initiatief dat kinderen tussen 3 en 16 jaar zo ruim mogelijke speelkansen biedt. Een speelpleinwerking beschikt daartoe over een functionele infrastructuur en deskundige begeleiders die kinderen een gevarieerd speelaanbod bieden."


Speelpleinwerk is jeugdwerk en uniek in de wereld. De kracht en niet de klacht!

Guy Redig (Prof. VUB, gewezen kabinetchef Jeugd en ex-directeur VVJ)


Anno 2016: een pact voor de toekomst


Inzetten op sterk speelpleinwerk biedt een lokale meerwaarde. Door het verdwijnen van het lokaal jeugdbeleid, de toenemende instrumentalisering en verwachtingen rond opvang, is het meer dan ooit van belang om sterk speelpleinbeleid te maken, op alle niveaus. Bijna 150 speelpleinverantwoordelijken en partners uit de jeugdsector verzamelden op 23 februari 2016 voor het eerste Speelpleincongres uit de geschiedenis en sloten een pact voor sterk speelpleinwerk in de toekomst! Een verhaal van uitdagingen, kansen, bewustwording en bewuste keuzes.  

Blijft speelpleinwerk jeugdwerk binnen de gemeentelijke context?

Anno 2016 zijn 75% van de speelpleinwerkingen gemeentelijke werkingen. De inbreng van de gemeente in het speelpleinwerk is ontzettend gestegen, ook in het particulier initiatief. Dit blijkt uit het ter beschikking stellen van personeel, middelen en terreinen. De speelpleinverantwoordelijken noemen ook verschillende gemeentelijke actoren als hun belangrijkste inspiratiebronnen bij het organiseren van het speelplein.

Zijn we naïef om te denken dat speelpleinwerk jeugdwerk zal blijven binnen de gemeentelijke context? Toen het decreet lokaal jeugdbeleid nog prioriteiten naar voor schoof, was het voor gemeenten gemakkelijk om speelpleinwerking te bestempelen als gemeentelijk jeugdwerk. Daarmee konden ze de besteding van Vlaamse subsidies verantwoorden. Nu is die wortel weg en kiezen gemeenten vrij welk label ze op speelpleinwerk kleven.

Komt spelen om te spelen nog op de eerste plaats?

Een grote variatie aan speelmogelijkheden raakt wijd verspreid in het speelpleinwerk. Het aantal verschillende speelvoorzieningen, en de kwaliteit ervan, is gevoelig toegenomen: avontuurlijke speelterreinen, rollend materiaal, tienerwerkingen, waterspelen, fantasiespel, enz. Speelpleinwerkingen noemen ‘spelen, plezier en een leuke vakantie’ als belangrijkste kenmerk van de identiteit van onze sector, ‘speelvisie en speelaanbod herdenken’ als actueel aandachtspunt en ‘voortrekker van een avontuurlijke en uitdagende vakantie’ als aandachtspunt voor de komende tien jaar. Onmiskenbaar zet het speelpleinwerk dus ‘het spelen’ voorop.

We vinden het o-zo belangrijk dat spelen hét doel op zich is, zonder meer.  
Gewoon plezier maken! Volop vakantie ervaren. Maar ook deze kernwaarde staat onder druk. Je hebt de keuze tussen ‘speelse nuttigheid’ of ‘nuttige speelsheid’. De Vlaamse overheid kiest voor het eerste, de Brusselse overheid voor het tweede. Zij ziet spelen sinds 2015 als opstapje voor andere doelen. Zij haalden speelpleinwerk weg bij jeugd en gaven het een plaats bij onderwijs. Het congres en de bevraagde verantwoordelijken maakten alleszins duidelijk dat spelen om te spelen altijd voorop zal staan, ondanks alle rollen die speelpleinwerk vervult! Een krachtig signaal!

Koploper blijven op vlak van toegankelijkheid

Geen enkele andere jeugdwerkmethodiek slaagt er beter in om een divers publiek te bereiken. Het gaat dan bijvoorbeeld over kinderen in kansarmoede (van 7.9% in 2010 naar 18.6% in 2015) en kinderen met een beperking (van 2.4% naar 6.3%), het dubbele in 5 jaar tijd. 4 op 10 speelpleinbesturen zijn bezig met de toegankelijkheid van hun werking. 70% noemt zichzelf een inclusieve werking. Al zijn er goede en minder goede leerlingen in de klas, de intentie is er! In tijden waarin alle politici oproepen om werk te maken van diversiteit, sterker nog het nieuwe superdiversiteit, hebben wij met speelpleinwerk iets unieks in handen. Iets dat werkt!

Er zijn de laatste jaren flinke stappen gezet. Maar het optrekken van prijzen, het werken met vooraf inschrijven, inschrijvingstops, kinderen weigeren uit andere gemeenten… zijn maar enkele maatregelen die de toegankelijkheid onderuit halen. We moeten antwoorden bieden om de oorzaak van deze maatregelen aan te pakken zonder te raken aan de toegankelijkheid. 

De vraag naar opvang ligt op de loer

Werkingen vervullen deze functie al. 70% van alle speelpleinverantwoordelijken voelt externe druk om deze functie te vervullen. Een vierde vindt zelfs dat we ons in de toekomst meer als opvanginitiatief moeten profileren. Is de toenemende vraag naar opvang een bedreiging of kans? Het is in elk geval een verhaal van evenwicht. De ervaring leert dat speelpleinen met een gedragen basis, er beter in slagen om niet alleen (toe) te geven, maar ook te nemen! Niet onbelangrijk als je weet dat we evolueren naar ‘voorwaardelijk speelpleinwerk’. Je krijgt centen om je ding te doen, maar wel onder bepaalde voorwaarden. De VDS volgt de opmaak van het nieuwe decreet ‘Opvang en vrije tijd van schoolkinderen’ door Vlaams minister Jo Vandeurzen alvast op de voet! 

Een definitie 'speelpleinwerk' en lokale speelpleinvisie als fundament

Het belang van een eigen speelpleinvisie, het belang van weten waarvoor je staat, weten wie je bent (en niet bent, wilt zijn of worden). Als je er niet in slaagt om te antwoorden op waarom-vragen of je ploeg geeft op dezelfde vraag verschillende antwoorden, dan moet je een visie maken of de bestaande visie herbekijken. 40% van de werkingen heeft een visietekst en de helft daarvan verspreidt die ook. Nog eens 20% denkt er sterk over om er één te maken. Een grote opportuniteit met andere woorden voor vele lokale werkingen. Ook voor de VDS ligt een uitdaging op de plank. Er komt een definitie speelpleinwerk. Die zal nodig zijn om richting te geven aan de toekomst!

De organisatorische druk op speelpleinwerk wordt groter

Het speelpleinwerk krijgt af te rekenen met toenemende verzakelijking. Organisatoren van speelpleinwerk worden in toenemende mate belast met wettelijke verplichtingen (VZW-wetgeving, SABAM en billijke vergoeding, bosdecreet, tewerkstelling jobstudentencontract, KB’s veilige speelomgeving, VLAREM, fiscale aftrekbaarheid...). Deze toenemende druk weegt op het speelpleinwerk, zeker bij particuliere initiatieven, maar ook op het functioneren van de gemeentelijke jeugddienst. 

Hoge verwachtingen rond ‘veilig en verantwoord’ spelen

De verwachtingen van de samenleving rond de ‘bescherming’ van kinderen neemt toe. Voor het speelpleinwerk uit zich dat in de toenemende verwachting van ouders en de lokale overheid rond ‘veilig en verantwoord’ spelen. Speelpleinwerkingen wegen bewuster de speelsheid van hun werking af ten opzichte van de veiligheid en nemen daarbij minder risico’s. Speelpleinwerk moet in bepaalde gevallen inboeten aan avontuurlijkheid en speelsheid. Reden genoeg om het avontuurlijk spelen onder de aandacht te brengen. Elke kind heeft recht op een blauwe plek!

Onze visie op spelen op 't speelplein

Onze visie op vrije tijd en visie op spelen, vormen de basis voor onze visie op spelen op het speelplein

Vakantie voor kinderen is niet anders dan voor volwassenen. Het staat synoniem voor mogen en niet moeten. Het is kiezen waar jij zin in hebt. Op dat moment ervaar je een écht vakantiegevoel! 

Spelen is het hoofddoel, intens spelen het streefdoel. Kinderen hebben vakantie, de VDS streeft naar vakantie beleven! Als speelpleinen willen dat kinderen op hun werking een écht vakantiegevoel ervaren, dan zijn keuze én variatie noodzakelijk. 

Meer lezen ...


Uitleggen wat speelpleinwerk wel én niet is


De affiche "ik kies voor vakantie, op het speelplein!" toont op een eenvoudige manier de meerwaarde en eigenheid van speelpleinwerk. De VDS wil werkingen motiveren om een positieve dialoog aan te gaan met ouders en beleidsmakers en duidelijk te maken waarvoor jouw speelplein staat én niet staat. Deze basistekst speelpleinwerk helpt je de poster te begrijpen en uit te leggen.


Onze definitie samengevat

De definitie van speelpleinwerk als ondergrens samengevat in onze magazine Pit.


Simple é voila

Daarom hebben wij het bij de VDS altijd over animatoren en nooit over monitoren op het speelplein.


Het speelplein-basisschema

Het speelpleinbasisschema berust op 6 pijlers en biedt een compleet overzicht van alle aspecten van speelpleinwerk die de kwaliteit bepalen. DNA 15 'The S-files' legt het schema in detail uit.


ABC van speelpleinwerk

Op zoek naar een definitie? Op zoek naar de juiste term voor een visietekst? In het ABC van speelpleinwerk vind je de begrippen terug die de VDS hanteert. Van activiteitenaanbod tot zot. 

Jeugdwerk in Vlaanderen

De methodiek speelpleinwerk maakt deel uit van het Vlaamse Jeugdwerk. Alles wat je moet weten over het Vlaamse Jeugdwerk vind je nu op de website basiswerk jeugdwerk.