Over speelpleinwerk


Speelpleinwerk is een unieke jeugdwerkvorm

Een definitie speelpleinwerk als ondergrens

Speelpleinwerk situeert zich binnen het kader van het jeugdwerk.
Een speelpleinwerking heeft alle volgende kenmerken:  

Spelen als hoofddoel

Speelplein valt in de vakantieperiode, is vrije tijd voor kinderen. In hun vrije tijd gaan kinderen spelen, dus spelen is het hoofddoel van een speelpleinwerking.

De basisfunctie van een speelpleinwerking is (zoals de naam al doet vermoeden) spelen. Er hoeft op het speelplein niet gespeeld te worden om er iets bij op te steken of om bepaalde inzichten te verwerven. In essentie gaat het om het spelen zonder meer, het ‘spelen om te spelen’. Op het speelplein is spelen geen middel om een extern doel te bereiken, maar een doel op zich. Het gaat om eigen ‘vrije tijd’ van kinderen die ze zelf en ‘zonder agenda’ vorm kunnen geven. 

Een speelpleinwerking brengt deze speelfunctie in de praktijk door dagelijks werk te maken van optimale speelkansen voor alle kinderen. Een speelpleinwerking creëert daarvoor een prikkelende omgeving die kinderen uitnodigt om te spelen. Een omgeving waar de aanleidingen om te spelen komen van de interactie tussen de kinderen zelf, de begeleiders, het speelmateriaal en de speelinfrastructuur (zowel binnen als buiten). Een speelpleinwerking probeert (binnen haar mogelijkheden) deze vier elementen en de interactie ertussen verder uit te bouwen, met als doel een werking uit te bouwen met een avontuurlijk en geborgen karakter, gericht op speelplezier en optimale belevingskansen.

Het is eigen aan speelpleinwerk om ruimte te geven aan de kinderen zelf.  Het speelpleinwerk ziet kinderen als volwaardige ‘actoren’ in het tot stand komen van een speelpleinwerking. Kinderen geven enerzijds mee vorm aan wat, met wie en wanneer er gespeeld wordt. Anderzijds zoeken speelpleinwerkingen actief naar manieren om kinderen mee te laten participeren in de besluitvorming, het tot stand komen van vernieuwing, verandering en verbetering van de speelpleinwerking.

Naast deze speelfuncties is een speelpleinwerking ook niet blind voor andere functies. In de praktijk heeft een speelpleinwerking naast de speelfunctie ook aandacht voor haar rol in opvang, preventie, integratie, buurtopbouw…  Maar in de eerste plaats (en te allen tijde) blijft ‘spelen’ overeind als belangrijkste functie.

Kinderen als doelgroep: kleuters, lagere schoolkinderen en/of tieners

Vanaf de kleuterleeftijd zijn kinderen zelfstandiger en is er minder zorgfunctie nodig. De maximumgrens voor deelnemers is 15 jaar, daarna worden jongeren animator. Uitzonderlijk kunnen kinderen met een beperking wel nog langer als deelnemer komen.

Het speelpleinwerk is door haar specifieke eigenheid uitermate afgestemd op kinderen. Zelfs de naam ‘speelpleinwerk’ suggereert dat kinderen de primaire doelgroep van het speelpleinwerk zijn. Het speelpleinwerk biedt vooral speelkansen aan kleuters, kinderen van de lagereschoolleeftijd en tieners.

Het speelpleinwerk blijft één van de weinige jeugdwerkvormen die zich openstelt voor kleuters (kinderen tussen 3 en 6 jaar). Kleuters vormen zelfs een aanzienlijk deel van de speelpleinpopulatie. Gemiddeld zijn er op een speelpleinwerking zo’n 33% (of 1/3) kinderen tussen 3 en 6 jaar. Een kleine minderheid van de speelpleinwerkingen zet haar deuren ook open voor kinderen vanaf 2,5 jaar, zij maken maar 3% uit van de kinderen.  

De groep lagereschoolkinderen (kinderen tussen 6 en 12 jaar) vormt de grootste doelgroep van het speelpleinwerk. Gemiddeld 55% van het doelpubliek van het speelpleinwerk bevindt zich in deze leeftijdscategorie. 

Daarnaast slagen heel wat speelpleinwerkingen er in om ook een boeiende werking op te zetten voor tieners (kinderen tussen 12 en 15 jaar). Gemiddeld 8% van het doelpubliek van het speelpleinwerk zijn tieners, veelal met een eigen specifieke werking (begeleiders, aanbod, lokaal…), aansluitend op hun leefwereld. 

Het speelpleinwerk neemt ‘kinderen als doelgroep’ ook heel letterlijk en maakt in vele gevallen geen onderscheid naar afkomst, religie, achtergrond… Kinderen van allochtone afkomst, kinderen met een beperking, kinderen uit kansarm milieu behoren ook tot het doelpubliek van het speelpleinwerk. In 2010 gaven bijna 80% van de speelpleinen aan dat bijzondere doelgroepen welkom zijn of dat de hele werking zich actief aanpast aan bijzondere doelgroepen.

Jongeren voeren het speelaanbod uit en worden betrokken bij de werking

Speelpleinwerk is jeugdwerk, het merendeel van de begeleidersploeg zijn jongeren. Die jongeren bereiden het speelaanbod voor en mogen hun mening geven over de werking.

Speelpleinwerk is een socio-cultureel initiatief voor kinderen en door jongeren, met als doel: kinderen een speelse vakantie bezorgen. Speelpleinwerk heeft haar actieperiode in de vakantieperiodes, de vrije tijd van kinderen en jongeren. Het spelen van kinderen wordt op het speelplein begeleid door gevormde jongeren of speelpleinbegeleiders met de nadruk op engagement en betrokkenheid. 

Speelpleinwerk wordt georganiseerd door particuliere initiatieven of lokale openbare besturen en wordt in vele gevallen professioneel gerund en ondersteund. Ondanks deze (toenemende) professionaliteit blijft speelpleinwerk ook daadwerkelijk jeugdwerk. 

Een sterke speelpleinwerking staat of valt met een sterke ploeg speelpleinbegeleiders. De kwaliteit van de speelpleinwerking is rechtstreeks afhankelijk van het enthousiasme en de dynamiek waarmee de speelpleinbegeleiders met kinderen spelen. Hun taak bestaat erin om dagdagelijks te zoeken naar een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van activiteiten. Ze worden door hun enthousiasme de deskundigen in het uitlokken, ondersteunen, stimuleren en waardevoller maken van kinderspel. 

Om haar speelfunctie optimaal te kunnen realiseren ziet een speelpleinwerking de uitbouw van haar begeleidersploeg als doel op zich. Een speelpleinwerking investeert daarom veel tijd en energie in het stimuleren van de betrokkenheid, de verbondenheid en de participatie van haar begeleidersploeg. Ze creëert vanuit een ‘jeugdwerkfilosofie’ een omgeving waarbinnen jongeren kunnen groeien in de ploeg en in hun vaardigheden, kansen krijgen om zichzelf te ontdekken en volwaardig participeren in de uitbouw van de werking.

Deelnemers kiezen zelf hoe vaak ze deelnemen

Speelpleinwerk vereist geen langdurig en vastgelegd engagement van de deelnemers (bv. geen engagement voor een jaar, elke weekend…)

Speelpleinwerk kenmerkt zich door de hoge graad van openheid en streeft een zo laag mogelijke drempel na. Een speelpleinwerking is principieel een initiatief waar elk kind terecht kan, los van elke filosofische of ideologische strekking, verstandelijke mogelijkheden of beperkingen. Deze openheid vertaalt zich in de praktijk in een openheid naar deelname, gebruiksfrequentie, lage kostprijs en toegankelijkheid voor alle kinderen.

Het speelpleinwerk voorziet geen lidmaatschap maar profileert zich als ‘dienst aan de samenleving’ waar je gebruik van kunt maken. Er wordt niet verondersteld dat kinderen elke dag aanwezig zijn. Wie voor één dag komt, is even welkom als wie elke dag op het speelplein vertoeft. Speelpleinwerk streeft een optimale openheid na door haar aanbod af te stemmen op deze behoefte.

Speelpleinwerk stelt zich tot doel, het ‘recht op spelen’ waar te maken. Er wordt bewust voor gekozen om de kostprijs voor alle kinderen zo laag mogelijk te houden. Speelpleinwerk is echter op weinig plaatsen nog volledig gratis. Speelpleinwerkingen die een democratische bijdrage vragen (de meerderheid) doen dit weloverwogen en om pragmatische redenen. 

Het speelpleinwerk staat erom bekend een breed publiek te hebben. Speelpleinwerkingen krijgen echt alle ‘soorten’ kinderen over de vloer. Zo spelen kinderen van verschillende leeftijden, uit middenklasse of kansarm milieu, kinderen van allochtone afkomst, kinderen met een beperking, kinderen uit het bijzonder onderwijs of de bijzondere jeugdbijstand, allemaal samen op het speelplein. Het speelplein maakt principieel geen onderscheid ongeacht de verstandelijke mogelijkheden, achtergrond, sociale status.

Afhankelijk van de plaatselijke accenten investeren speelpleinwerkingen extra in specifieke toegankelijkheid voor:

  • kinderen en jongeren met een mentale en/of een fysieke beperking
  • maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren
  • kinderen en jongeren van allochtone afkomst
  • kinderen die vaak in een conflictsituatie terecht komen
Is actief in de vakantie(s), in regel zonder overnachting voor de deelnemers

Speelpleinwerk is niet beperkt tot het schooljaar, maar vindt in minstens één schoolvakantie per jaar plaats. Overnachtingen zijn uitzonderlijke events en geen regelmatige standaardactiviteit. 

Een speelpleinwerking is een vakantie-initiatief en heeft haar openingsperiode in de vakantie. Het speelpleinhoogseizoen ligt traditioneel in de zomervakantie en in mindere mate (50% van de speelpleinwerkingen) in de paasvakantie. Een kleine minderheid van het speelpleinwerk opent ook haar deuren in één of meerdere kleine vakanties zoals de krokus-, herfst- en/of kerstvakantie.  

In de vakantie is de behoefte van kinderen om te spelen het grootst. Kinderen beschikken over meer vrije tijd, dwingende schoolverplichtingen zijn er niet, ze willen leuke dingen doen of samen met vriendjes spelen. Het speelpleinwerk opent haar deuren precies in die periode(s). 

Vakantie heeft een wel zeer aangename bijklank voor het speelpleinwerk. Vakantie roept bij kinderen en volwassenen  een gevoel op van vrije tijd, doen waar je zin in hebt, reizen, tijd investeren in iets wat je zelf kiest, dromen, lekker niks doen, buiten spelen… Allemaal beelden die de waarde van het speelpleinwerk voor kinderen in de verf zetten. 


Door deze grenzen af te bakenen, zorgen we als koepelorganisatie voor een focus: het bepaalt voor wie we er zijn en wat we doen.  Het geeft richting aan de toekomst en het aanbod van de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk. 

Onze visie is het streefdoel!

De definitie vat de basis samen van speelpleinwerk. Werkingen die niet aan de basisdefinitie voldoen, zijn in de ogen van de VDS geen speelpleinwerkingen. De VDS streeft naar meer dan de basis. We zijn voortdurend op zoek naar manieren om meer en betere speelkansen in de vrije tijd van elk kind te realiseren. Onze visie is datgene waar naartoe de VDS het speelpleinwerk wil bewegen.


Als ouder of gemeentebestuur kiezen voor speelpleinwerk, wil ook zeggen dat je achter de filosofie van speelpleinwerk staat

Cijfers over speelpleinwerk

Er zijn 417 speelpleinorganisatoren. Samen organiseren ze 563 speelpleinwerkingen verspreid over 300 gemeenten in Vlaanderen en Brussel. Slechts 21 gemeenten hebben er geen. Op een gemiddelde vakantiedag in de zomer spelen dagelijks 44.000 kinderen op een speelpleinwerking. Samen bereiken ze op die manier 185.000 verschillende kinderen en 23.000 begeleiders, die we animatoren noemen.

Aantal organisatoren en werkingen per provincie

 

Statuut van de organisator

 

Gemeentelijk

Particulier

2010

62,8%

37,2%

2015

69,8%

30,2%

Aantal kinderen

Totaal aantal kinderen per dag

 

Totaal aantal verschillende kinderen

1990

61500

 

1990

175000

1995

57000

 

1995

180000

2000

48000

 

2000

160000

2005

37000

 

2005

140000

2010

43000

 

2010

147000

2015

44167

 

2015

184384

 

alle werkingen < 60 kinderen gemiddeld per dag                   > 169
alle werkingen > 60 en < 150 kinderen gemiddeld per dag     > 347
alle werkingen >150 kinderen gemiddeld per dag                  > 47

Evolutie leeftijdscategorieën

 

< 3 JAAR

3-6 JAAR

7-12 JAAR

>12 JAAR

2000

1,9 %

32 %

56 %

10 %

2005

2,1 %

33 %

55 %

10 %

2010

3,1 %

33 %

55 %

9 %

2015

3,2 %

33 %

55,6 %

8,2 %

Toegankelijkheid: niemand in het jeugdwerk doet beter!

Inschatting van % kinderen uit een bijzondere doelgroep:

 

Kinderen met een beperking

Meertalige kinderen

Kinderen uit een kansarm milieu

Kinderen via het OCMW ingeschreven

Kinderen uit de Bijzondere Jeugdzorg

2010

2,4 %

13,6 % *

7,9 %

3,0 %

1,0 %

2015

6,3 %

18,2 %

18,6 %

7,9 %

4,0 %


Bron '5-jaarlijkse speelpleinenquête' (2015) door VDS

____________________________________________________________________________________ 

Een vergelijking van de diversiteit in de verschillende jeugdwerkonderzoeken (gemiddelden)

Van alle jeugdwerkvormen slaagt speelpleinwerk er het best in de diversiteit van de samenleving te weerspiegelen: van kleuters tot tieners, van kinderen met een handicap tot kinderen in kansarmoede. Van alle jeugdwerkvormen hebben speelpleinen het grootste bereik naar kinderen met een fysieke of mentale beperking.

 

Speelpleinwerk

Jeugdhuizen

WMKJ’s

Jeugdbeweging

% allochtone kinderen

17 %

9,6 %

61,6 %

2,1 %

% kinderen in armoede

14,8 %

8,9 %

59,6 %

3,6 %

% kinderen met een beperking

6,7 %

3,3 %

2,9 %

2,1 %

% kinderen uit de bijzondere jeugdzorg

4,4 %

- %

10,2 %

- %

% meisjes

49,8 %

31,8 %

28,4 %

- %


Bron 'Het Grote Speelpleinonderzoek' (2014) door Kind & Samenleving

Speelsysteem: meer keuze, minder verplicht meedoen

Het speelsysteem vertelt op welke manier de combinatie van activiteiten vanuit animatoren, materiaal, terrein, fantasie én de inbreng van kinderen gemaakt wordt. Het speelsysteem bepaalt hoe er gespeeld wordt, hoe de tijd ingedeeld wordt en welke mogelijkheden er al dan niet zijn voor kinderen om op de speelkansen in te gaan.

Zoveel speelpleinwerkingen, zoveel speelsystemen.

Niets is zo moeilijk als speelpleinwerkingen de juiste vragen stellen over hun speelsysteem. Met deze vragen en categorieën doen we een poging om hier structuur in te brengen. De vraag is opgesplitst in voor- en namiddag, omdat we in de praktijk merken dat speelpleinwerkingen doorheen de dag hun speelsysteem variëren.

We onderscheiden 5 mogelijkheden:

  1. Strikt geleid aanbod: Het speelplein voorziet leeftijdsgroepen. Kinderen spelen enkel binnen hun leeftijdsgroep. Ze hebben vaste begeleiders die de activiteiten voorbereiden en aanbieden. 
  2. Leeftijdsgroepen met keuze: Het speelplein voorziet leeftijdsgroepen. Kinderen gaan in principe bij hun leeftijdsgroep spelen. Ze zijn niet verplicht om deel te nemen aan de voorbereide activiteiten.
  3. Begeleider als toezichthouder (vrije spel): Kinderen spelen vrij en maken daarbij gebruik van het terrein- en materiaalaanbod. De begeleider heeft vooral een toezichthoudende rol.
  4. Keuzeactiviteiten (die je moet blijven volgen): Kinderen maken een vrije keuze uit een voorbereid speelaanbod van de begeleiders. Naast deze activiteiten is er geen ander aanbod.
  5. Open speelaanbod: Kinderen maken een vrije keuze uit een voorbereid speelaanbod van de begeleiders. Ze spelen op elk moment vrij en kunnen daarbij gebruik maken van het aanbod aan terrein en materiaal en eventuele impulsanimatoren.

De cijfers in onderstaande tabel geven een licht vertekend beeld. In 2010 moesten de invullers kiezen tussen één van de vijf opties, terwijl het in 2015 mogelijk was om meerdere opties aan te duiden. Toch proberen we enkele conclusies te trekken.

 

Elke voormiddag

2010

Elke namiddag

2010

Eén of meerdere keren per week

Nooit

Strikt geleid aanbod 

35%

42%

38%

23%

21%

36%

Leeftijdsgroepen met keuze

10%

8%

18%

11%

20%

63%

Begeleider als toezichthouder

13%

17%

22%

20%

41%

38%

Keuzeactiviteiten

10%

26%

12%

21%

34%

52%

Open speelaanbod

21%

8%

28%

24%

24%

46%

 

Dit daalt:

  • Minder vast aanbod in de voormiddag.
  • Minder gewoon toezicht houden/enkel keuzeactiviteiten.

Dit stijgt:

  • In leeftijdsgroepen zit er meer keuze (verschil tussen rij 1 en 2).
  • Meer open speelaanbod (vooral in de voormiddag).

Conclusies:

Werkingen evolueren meer naar keuze voor kinderen. Dit zien we enerzijds binnen de leeftijdsgroep: kinderen moeten minder vaak verplicht meedoen. Anderzijds is het ook duidelijk in de cijfers dat er minder keuzeactiviteiten gedaan worden, maar vaker optie is voor kinderen om te kiezen uit zowel activiteiten, als spelen met materiaal en terrein.

‘Begeleider als toezichthouder’ scoort nog altijd hoog (dit had een flinke stijging tussen 2005 en 2010). Het voordeel aan dit systeem is dat kinderen zelf kunnen kiezen, maar de VDS is meer voorstander van een systeem waarin er daadwerkelijk ook een aanbod gedaan wordt vanuit begeleiding.

Daarnaast valt op dat de veranderingen vooral in de voormiddag duidelijk zijn. Dit kan erop wijzen dat werkingen die in het verleden geëxperimenteerd hebben met open speelaanbod in de namiddag, dit doortrekken naar de voormiddag.

Tot slot geeft nog 46% van de werkingen aan dat ze op geen enkel moment aan volledig open speelaanbod (de laatste) rij doen. Dit staaft de conclusie dat we binnen de speelpleinwereld véél meer mengvormen en experimenteren met speelaanbod zien dan werkingen die resoluut voor een open speelaanbod kiezen. 

Uitgebreid cijfermateriaal in de 5-jaarlijkse speelpleinenquête (2015).


Geschiedenis van het speelpleinwerk

Eigentijdse uitdagingen en kritische afwegingen anno 2022

Speelpleinwerk is een vrij oude jeugdwerkvorm, ze heeft haar wortels in het begin van de vorige eeuw. Deze beknopte brok geschiedenis schetst de evolutie van het speelpleinwerk in vijf grote stappen. Het is geen volledig overzicht, maar een opsomming van de belangrijkste keerpunten in de geschiedenis van het speelpleinwerk. Het geeft je een goed beeld van de grote tendensen en leert je beter begrijpen hoe het komt dat speelpleinwerk geworden is wat het nu is. 

Het prille begin: een discussie over preventie

De eerste discussies over de noodzaak van speelpleinwerk ontstaan bij het begin van de twintigste eeuw. De leefsituatie van kinderen verandert sterk omstreeks de eeuwwisseling, onder andere door de afschaffing van de kinderarbeid (1889) en de invoering van de leerplicht tot 12 jaar (1914). Kinderen krijgen 'verplichte tijd', die ze doorbrengen in de klas, maar daardoor ook 'vrije tijd'. 

Na de Eerste Wereldoorlog ontstaat ongerustheid over de slechte invloed van ‘de straat’ op kinderen. Enkele initiatieven ontstaan om kinderen tijdens de vakantie samen te brengen in een ‘verantwoorde’ omgeving. De geboorte van het speelpleinwerk is een feit. Naast deze preventieve functie wordt ook een pedagogische invulling gegeven aan deze initiatieven. Door op het speelplein te spelen met andere kinderen ondergaan kinderen goede invloeden. 

Speelpleinwerk tussen 1930 en 1960: spelen in een gezonde omgeving

In 1931 noteren we het ontstaan van de eerste speelpleinwerking in Ukkel. Tussen de twee wereldoorlogen kent het speelpleinwerk een snelle groei. In 1937 zijn er 165 speelpleinen in Vlaanderen. Na een korte terugval tijdens de Tweede Wereldoorlog zit het speelpleinwerk in 1948 alweer ver boven het peil van 1937.  

Naast de preventieve en pedagogische functie krijgt het speelpleinwerk een derde grote functie. Onder impuls en subsidiëring van het NWK (Nationaal Werk voor Kinderwelzijn) neemt het speelpleinwerk de 'zorg om de lichamelijke gezondheid' van de kinderen op zich. In deze sfeer won ook ‘sport’ aan belang op het speelplein. De invloed van beweging op de gezondheid van kinderen wordt erkend, alsook de waarde van groeiend kameraadschap, fair-play en solidariteit door sport wint aan belang. Het is ook de tijd waar, naar Frans voorbeeld, de eerste vormingscursussen voor begeleiders werden opgezet. 

Speelpleinwerk in de 6-ties en 7-ties: wereldwijde aandacht voor spelen

In de jaren zestig doordringt ‘spel en spelen’ het speelpleingebeuren.
Na 2 wereldoorlogen is het tijd voor vrede en groeit het verzet tegen geweld wereldwijd. De tijd van de Flower Power, make love not war. Er is wereldwijde aandacht voor spelen. Vanaf 1968 komt de creativiteit en de vrije expressie van kinderen steeds nadrukkelijker voor in de activiteiten. Uit het buitenland, vooral Denemarken en Engeland, waaien ideeën over zoals avontuurlijk spelen, bouwen, spelen met water, enz.

Enkele belangrijke basisprincipes worden naar voor geschoven: Actorschap bij het kind. Eigen keuze. Vrijheid. Geleidelijk groeit de aandacht voor de waarde die kinderen zelf aan spelen toebedelen. Kinderen willen zelf dingen vinden, zelf hun spel bepalen en laten evolueren. Die aandacht sluit aan bij de zijnswijze van kinderen en geeft hen het recht hun vrije tijd zelf in te vullen. Het speelplein gaf met respect voor die eigenheid van kinderen en de groeiende aandacht voor spontaan kinderspel steeds een concrete invulling van de rechten van het kind!Speelpleinwerk en jeugdhuizen worden een ‘vrijplek’ voor kinderen en jongeren. Het zijn op dat moment particuliere werkingen. Van gemeentelijke speelpleinwerkingen, laat staan gemeentelijk aanbod, is er nog geen sprake. Stilaan komt het woord jeugdbeleid en jeugdwerk in beeld. 

Die benaderingswijze van het spelen op het speelplein leidt in 1984 tot een eigen decreet voor erkenning en subsidiëring van het speelpleinwerk. Het ‘speelse decreet’ (27 november 1984), stimuleert de uitbouw van speelvriendelijke infrastructuur, aantrekkelijk speelmateriaal en een deskundige begeleiding door opgeleide jongeren. Het decreet gaf het speelpleinwerk bestaansreden, rechtszekerheid en zette de speelfunctie centraal.

Echter zijn de jaren 80 ook de periode waarin huisvrouwen meer en meer uit werken gaan. 2-verdieners die opvang nodig hebben. De aanhoudende sociaaleconomische crisis zet ook het “plezierige” van het jeugdwerk onder druk en stelt een zuivere vrijetijdsbesteding in vraag. De start van een stevige functieverschuiving. Er wordt naar de overheid gekeken om hierop in te spelen. 

Was het nu ‘80 of ‘90: belangrijke functieverschuivingen

In de laatste decennia ondergaat het speelpleinwerk belangrijke functieverschuivingen. De zorg om de 'zedelijke en lichamelijke zuiverheid' van het kind evolueerde naar de 'zorg om het pedagogisch verantwoorde spel'.

Door bijkomende behoeften van ouders in de jaren ‘80 krijgt de invulling van de ‘opvangfunctie’ een ander karakter. Enerzijds kunnen sommige ouders door gebrekkige behuizing, aftakelende sociale netwerken en beperktere financiële middelen niet steeds instaan voor de opvang tijdens de vakantie. Daarnaast zorgen economische factoren zoals buitenshuis werkende ouders, tweeverdieners, rigide arbeidsstructuren voor een groeiende vraag naar opvang. De invloed van deze 'sociaal-economische opvangfunctie' neemt nog steeds toe en zorgt voor een stijgende maatschappelijke druk en aandacht van beleidsvoerders. 

Het speelpleinwerk aarzelt om zich te profileren als een opvanginitiatief. Veel speelpleinen nemen zelfs resoluut afstand van de opvangtaak. De schrik dat de opvangfunctie de speelfunctie verdringt, is reëel. Opvang kan en mag, maar niet ten koste van het spelen. 

Het besef groeit ook dat het speelpleinwerk voor en door de (lokale) gemeenschap moet worden uitgebouwd. Speelpleinwerk wordt steeds meer een verantwoordelijkheid voor de gemeentelijke overheid. Bijna alle nieuwe initiatieven in deze periode zijn gemeentelijke initiatieven.

Het speelpleinwerk krijgt er in deze periode ook een functie bij. Het speelplein biedt een engagementskader voor jongeren, die zich op vrijwillige basis, meestal wel met een beperkte kostenvergoeding, inzetten voor kinderen en jongeren. 

1994: het speelpleinwerk krijgt een plaats in het gemeentelijk jeugd(werk)beleid

Een belangrijke groeistoot in de ontwikkeling van het speelpleinwerk komt er door het 'decreet op het plaatselijk jeugdwerkbeleid' van 9 juni 1993. Dit trad in werking op 1 januari 1994 en stimuleert de Vlaamse gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie rond Brussel tot het voeren van een eigen en plaatselijk jeugdwerkbeleid.  

Het decreet op het plaatselijke jeugdwerkbeleid in 1994 zorgt ervoor dat alle lokale besturen een eigen jeugdwerkbeleidsplan schrijven. Er wordt volop ingezet op participatie. Jeugdbewegingen en particuliere werkingen worden beter ondersteunt, er wordt geïnvesteerd in jeugdinfrastructuur, maar gemeenten zien hun kans schoon om zelf ook een vrijetijdsaanbod aan te bieden met vooral vrijwillige jongeren als middel en als doel, volop gemeentelijk jeugdwerk dus! Waar er nog geen speelpleinwerkingen waren, komen die er nu. Grabbelpassen, SWAP voor tieners… het ontstaat. In de rand ontstaan en profiteren ook heel wat ‘toeleveranciers’: uitstapadresjes, busbedrijven, workshopsorganisaties, attractieverhuur… 

Tien jaar verder zien we het speelpleinwerk bloeien en verder groeien tot een basisvoorziening in zowat elke Vlaamse gemeente. De lokale overheden zagen het speelpleinwerk steeds als 'hun zaak' en beschouwen het nu ook als 'hun taak'. 

De Vlaamse Dienst Speelpleinwerk definieert het speelpleinwerk in 1995 als volgt: "Een speelpleinwerking is een open vakantie-initiatief dat kinderen tussen 3 en 16 jaar zo ruim mogelijke speelkansen biedt. Een speelpleinwerking beschikt daartoe over een functionele infrastructuur en deskundige begeleiders die kinderen een gevarieerd speelaanbod bieden."

2000-2020: bewaken van de eigenheid van speelpleinwerk als jeugdwerkmethodiek

In 2014 gaan de jeugdbeleidsplannen op de schop en komt alles terecht in meerjarenplannen. Lokale besturen krijgen de vrijheid om het eigen beleid vorm te geven naar aanleiding van het planlastendecreet en de invoering van de beleids- en beheerscyclus (BBC). Er is een grote vrees dat het jeugdbeleid niet meer of toch niet duidelijk terug te vinden zal zijn in die meerjarenplannen en dat er minder geïnvesteerd zal worden in jeugdbeleid. Heel wat gemeenten stellen zich ook luidop de vraag of zijzelf nog moeten instaan voor de organisatie van een vrijetijdsaanbod. Speelpleinwerk wordt in de loop der jaren hier en daar uitbesteed en met wisselend succes even vaak weer binnengehaald. 

Overtuigd van de lokale meerwaarde van speelpleinwerk verzamelen bijna 150 speelpleinverantwoordelijken en partners uit de jeugdsector op 23 februari 2016 voor het eerste Speelpleincongres uit de geschiedenis. Door het verdwijnen van het lokaal jeugdbeleid, de toenemende instrumentalisering en verwachtingen rond opvang, is het meer dan ooit van belang om sterk speelpleinbeleid te maken, op alle niveaus. Een verhaal van uitdagingen, kansen, bewustwording en bewuste keuzes. Er wordt een pact voor sterk speelpleinwerk in de toekomst gesloten!

Het belang van een eigen speelpleinvisie, het belang van weten waarvoor je staat, weten wie je bent (en niet bent, wilt zijn of worden), jezelf onderscheiden als jeugdwerkmethodiek wint aan belang in een steeds complexere wereld. Vanaf 2018 worden lokale speelpleinwerkingen gestimuleerd om aan de slag te gaan met het uitwerken en uitdragen van een speel(plein)visie. Een nieuwe definitie speelpleinwerk wordt gelanceerd om richting te geven aan de toekomst. 

Vandaag: eigentijdse uitdagingen en kritische afwegingen

Ondertussen is het 2022 en de vraag naar ‘buitenschoolse’ opvang wordt alsmaar groter. Meer éénoudergezinnen, meer flexibele werkuren, grootouders die zelf langer moeten werken…  Men wil ervoor zorgen dat lokale spelers (Onderwijs, Welzijn, Cultuur, Jeugd en Sport …) zo goed mogelijk samenwerken. 2021, het nieuwe decreet Buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) is geboren. Bedoeling is dat het lokaal bestuur de regie in handen neemt en met de verschillende partners een lokaal buitenschools beleid uitstippelt. Ontplooiingskansen, speelmogelijkheden en gelijke kansen staan voorop. Sidenote: vreemd genoeg focust dat nieuwe decreet zich enkel op kleuters en lagere schoolkinderen. Wat met onze tieners en jongeren is de vraag?  

Die opvangnood wordt ook meer en meer ingevuld door commerciële spelers, ouders die zelfs opvang organiseren, leerkrachten organiseren tijdens de zomermaanden activiteiten. Het woord ‘kampjes’ wordt het meest gebruikte woord door ouders aan de schoolpoort. Nieuwe initiatieven ontstaan die qua werkvorm heel erg aanleunen bij de definitie speelpleinwerk. Zij zijn op zoek naar ondersteuning die ze bovenlokaal niet vinden. Vanaf 2021 werpt de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk zich op als ondersteuner van deze speelinitiatieven. De dienstverlening richt zich op lokale initiatieven die spelen centraal zetten, werken met jongeren en die hoofdzakelijk in de vakantie werking hebben. De dienstverlening vertrekt steeds vanuit onze sterke visie op spelen en geloof in de jeugdwerkmethodiek. 

De verwachtingen van ouders zorgen voor druk op het georganiseerde vrijetijdsaanbod. In die mate dat bv. speelpleinwerkingen de laatste jaren experimenteren met animatoren in shiftsystemen, openingsuren uitbreiden, vakantieperiodes uitbreiden, inschrijfstops noodgedwongen moeten inlassen… maatregelen die de eigenheid van speelpleinwerk als jeugdwerkmethodiek, nl. een toegankelijke vrijplek voor kinderen en jongeren, stevig op de proef stellen. En misschien, misschien ook niet, is dat soort werkingen in het aanbod nog de enige plek waar kinderen in een georkestreerde vakantie gewoon zelf invulling mogen geven aan tijd en ruimte. Spelen, hangen... alleen of met vrienden, op je eigen tempo. 

Een grote variatie aan speelmogelijkheden raakt wijd verspreid in het speelpleinwerk. Het aantal verschillende speelvoorzieningen, en de kwaliteit ervan, is gevoelig toegenomen: avontuurlijke speelterreinen, rollend materiaal, tienerwerkingen, waterspelen, fantasiespel... Speelpleinwerkingen noemen ‘spelen, plezier en een leuke vakantie’ als belangrijkste kenmerk van de identiteit van onze sector, ‘speelvisie en speelaanbod herdenken’ als actueel aandachtspunt en ‘voortrekker van een avontuurlijke en uitdagende vakantie’ als aandachtspunt voor de komende tien jaar. De bevraagde verantwoordelijken tijdens het congres in 2016 en in de 5jaarlijkse speelpleinenquête uit 2021 maken daarmee duidelijk dat spelen om te spelen altijd voorop zal staan, ondanks alle rollen die speelpleinwerk vervult! Een krachtig signaal! Onmiskenbaar zet het speelpleinwerk dus ‘het spelen’ voorop. We vinden het o-zo belangrijk dat spelen hét doel op zich is, zonder meer. Gewoon plezier maken! Volop vakantie ervaren. Maar ook deze kernwaarde staat onder druk. Je hebt de keuze tussen ‘speelse nuttigheid’ of ‘nuttige speelsheid’, tussen 'speels leren' of 'spelend leren'...  

De laatste 20 jaar is het aantal jongeren van 15/16 jaar in onze land nagenoeg gelijk gebleven, maar het aanbod is aanzienlijk gestegen en iedereen vist voor de vakantieperiodes in dezelfde vijver. Tel daarbij 2 coronajaren, het feit dat jong zijn anno 2022 wel wat kost, dat jongeren meer en meer op zoek gaan naar een baan om schoolboeken mee te betalen, een last-minutementaliteit en het feit dat er niet gemakkelijker op geworden is om animator te zijn (bv. meer kinderen met een ‘rugzak’). Meer en meer organisatoren zitten met de handen in het haar om voldoende geëngageerde jongeren te vinden. Laat staan vrijwillig, geëngageerde jongeren. Geld is, niet de enige, maar vandaag de dag zeker een belangrijke(re) motivatiebron geworden. We merken ook dat verantwoordelijken zoeken op welke manier ze jongeren toch iets meer kunnen toesteken, de vraag stellen naar nieuwe of het aanpassen van bepaalde statuten. Niet dat ik hier een pleidooi voer om morgen iedereen als jobstudent te gaan aanwerven, maar ik denk wel dat we niet voldoende beseffen hoe vrijwilligerswerk voor vele jongeren en volwassenen een soort luxeproduct is geworden. Jobstudenten of vrijwilligers, ik geloof in de eerste plaats in de kracht van jongeren binnen het vrijetijdsaanbod. Los van het juridische verschil, welk statuut ook, het is en blijft dezelfde jongere, met dezelfde talenten, goesting en gretigheid die we op een zelfde manier moeten ondersteunen en ruimte geven om te groeien.  

Het zich niet meer smijten op 1 initiatief en je jezelf als jongeren daarin volledig engageren heeft ook als effect dat particuliere werkingen een braindrain hebben. De continuïteit, ervaring en maturiteit van een vrijwillig bestuur gaat achteruit. Het speelpleinwerk krijgt ook af te rekenen met toenemende verzakelijking. Organisatoren van speelpleinwerk worden in toenemende mate belast met wettelijke verplichtingen (nieuwe VZW-wetgeving, uittreksel strafregister, digitale fiscale attesten, UBO-register, nieuwe regels rond tewerkstelling jobstudentencontract, KB’s veilige speelomgeving, VLAREM...). Deze toenemende druk weegt op het speelpleinwerk, zeker ook bij particuliere initiatieven. Dat in combinatie met het feit dat alles ongelooflijk duur wordt en inkomsten nagenoeg dezelfde blijven legt een enorme bom onder particuliere (speelplein)werkingen binnen de context van het vakantieaanbod. Meer dan ooit krijgen we als koepelorganisatie vanuit lokale besturen de vraag om mee aan tafel te schuiven om particuliere speelpleinwerkingen weer op de rails te krijgen. Hier en daar worden ze opgeslokt in het gemeentelijk aanbod. Als we niet ingrijpen, verdwijnt dit soort waardevolle werkingen met een lange staat van dienst van de rader. De meerwaarde van dit soort werkingen schuilt niet enkel in de dynamiek en de verbondenheid waarmee deze jongeren het aanbod opzetten. De meerwaarde voor een gemeente is ook dat dergelijke, bestaande initiatieven ondersteunen vaak veel goedkoper is dan ze zelf organiseren.    

Ondertussen verteren we de ene crisis na de andere: de migratiecrisis, corona, klimaatactivisten lijmen zich vast aan dure sportwagens, torenhoge inflatie en iedereen vraagt zich af hoe we onze facturen blijven betalen. Ook lokale besturen. De financiële crisis hakt er ook hier in en er wordt naarstig gezocht naar manieren om te besparen, ook binnen het vrijetijdsaanbod. Besparen op uitgaven, maar de laatste maand ontvangen we ook opnieuw signalen dat er wordt gezocht naar meer inkomsten. Een logische oefening, die soms leidt tot onlogische maatregelen. Nog niet zolang geleden spendeerden we een volledig magazine aan het thema ‘kinderen uit buurgemeenten’. We stellen vast, en gelukkig niet vaak, dat kinderen uit buurgemeenten niet welkom zijn of een flink pak meer betalen dan de ‘eigen’ kinderen. Terwijl die kinderen wel soms gewoon school lopen in die gemeente, daar vrienden hebben, net over de grens wonen, ‘eigen’ kinderen ook in buurgemeenten spelen… Laten we als beleidsmakers, ondanks de goedbedoelde inspanningen, niet in de val trappen van dit soort absurde maatregelen.

Als er 1 taak bij lokale overheden ligt is het wel om een lokaal vrijetijdsaanbod toegankelijk en laagdrempelig te houden voor alle kinderen én jongeren. In de eerste plaats in het eigen, georganiseerde vrijetijdsaanbod, maar ook als voorbeeld en via een stimulerend beleid bij andere partners. Op spelen staan geen grenzen. Geen enkele andere jeugdwerkmethodiek slaagt er beter in om een divers publiek te bereiken. 4 op 10 speelpleinbesturen zijn bezig met de toegankelijkheid van hun werking. 70% noemt zichzelf een inclusieve werking. Al zijn er goede en minder goede leerlingen in de klas, de intentie is er! In tijden waarin alle politici oproepen om werk te maken van diversiteit, sterker nog het nieuwe superdiversiteit, hebben wij met speelpleinwerk iets unieks in handen. Iets dat werkt! Er zijn de laatste jaren flinke stappen gezet. Maar het optrekken van prijzen, het werken met vooraf inschrijven, inschrijvingstops, kinderen weigeren uit andere gemeenten… zijn maar enkele maatregelen die de toegankelijkheid onderuit halen. We moeten antwoorden bieden om de oorzaak van deze maatregelen aan te pakken zonder te raken aan de toegankelijkheid. 

Een greep uit wat ons vandaag bezig houdt:

  • Woke doet ons nadenken over inkleding en verkleden. Cowboy en indiaantje kan het nog?
  • Zorgt het genderdebat ervoor dat we kinderen en jongeren niet meer als vanzelfsprekend indelen in jongens en meisjes?
  • Hoe kunnen we jeugdwerk en jeugdwelzijnswerk dichter bij elkaar brengen zonder dat onze jeugdwerkers hulpverleners worden?
  • Zorgt wetenschappelijk onderzoek ervoor dat verzekeringen morgen goedkoper zijn voor wie investeert in een groen, avontuurlijk speelterrein?
  • Verplichten we animatoren onderling Nederlands te spreken als 90% Franstalig is? 
  • Kunnen we meer jongeren activeren om vorming te volgen als we niet verwachten dat zij naar de vorming komen, maar de vorming naar hen toekomt? 
  • …  


Geschiedenis toont hoe het vrijetijdsaanbod een weerspiegeling is van beleidskeuzes. Wij samen schrijven vandaag geschiedenis. Hoe het volgende blokje op de tijdlijn zal worden ingevuld in de toekomst. Wij bepalen samen of we maatschappelijke tendensen zien als een opgave of eerder als een uitdaging. Of sterker nog te benoemen als kansen. Samen voor meer en betere speelkansen voor alle kinderen en groeikansen voor elke jongere. In de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk vind je een bondgenoot.   


Speelpleinwerk is jeugdwerk en uniek in de wereld. De kracht en niet de klacht!

Guy Redig tijdens het eerste Speelpleincongres op 23 februari 2016.
(Prof. VUB, gewezen kabinetchef Jeugd en ex-directeur VVJ, vandaag Batalong)


De voordelen en troeven van speelpleinwerk


Wat maakt speelpleinwerk zo bijzonder? Waarin verschilt speelpleinwerk van andere vakantie-initiatieven of jeugdwerkvormen. Alle voordelen en troeven van speelpleinwerk voor kinderen, ouders, jongeren en een gemeente samengevat op Specifiek voor ouders bestaat speelplein.net/ietsvoorjou


Onze visie op spelen op 't speelplein

Onze visie op vrije tijd en visie op spelen, vormen de basis voor onze visie op spelen op het speelplein.

Vakantie voor kinderen is niet anders dan voor volwassenen. Het staat synoniem voor mogen en niet moeten. Het is kiezen waar jij zin in hebt. Op dat moment ervaar je een écht vakantiegevoel! 

Spelen is het hoofddoel, intens spelen het streefdoel. Kinderen hebben vakantie, de VDS streeft naar vakantie beleven! Als speelpleinen willen dat kinderen op hun werking een écht vakantiegevoel ervaren, dan zijn keuze én variatie noodzakelijk. 

Meer lezen ...


ABC van speelpleinwerk

Op zoek naar een definitie? Op zoek naar de juiste term voor een visietekst? In het ABC van speelpleinwerk vind je de begrippen terug die de VDS hanteert. Van activiteitenaanbod tot zot. 


Het speelplein-basisschema

Het speelpleinbasisschema berust op 6 pijlers en biedt een compleet overzicht van alle aspecten van speelpleinwerk die de kwaliteit bepalen. DNA 15 'The S-files' legt het schema in detail uit.


Jeugdwerk in Vlaanderen


De jeugdwerkvorm speelpleinwerk maakt deel uit van het Vlaamse Jeugdwerk. Alles wat je moet weten over het Vlaamse Jeugdwerk vind je nu op de website 
basiswerk jeugdwerk en uitlegt in deze PowerPoint